Achtergrond
Op 24 januari 2014 heeft de burgemeester van de gemeente Hilversum (hierna: verweerder) een drank- en horecavergunning verleend. De vergunning is verleend aan de eiser in onderhavige zaak ondanks een negatief advies van het Landelijk Bureau Bibob. Bij besluit van 29 april 2016 heeft verweerder de drank- en horecavergunning ingetrokken (hierna: het primaire besluit). Bij besluit van 16 september 2016 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard (hierna: het bestreden besluit). Eiser heeft vervolgens tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Motivering van besluitvorming
Verweerder heeft de vergunning ingetrokken omdat hij eiser van slecht levensgedrag acht. Uit het bestreden besluit volgt dat verweerder twee elementen aan zijn conclusie ten grondslag legt: het strafrechtelijk verleden van eiser en een huidige verdenking in een strafrechtelijk onderzoek in Spanje. Eiser betwist dat hij van slecht levensgedrag is. De omstandigheid dat hij is aangemerkt als verdachte in een strafrechtelijk onderzoek is volgens hem onvoldoende voor die conclusie. Ter zitting heeft verweerder aangevoerd dat bij de beslissing ook heeft meegespeeld dat er tijdens een controle geen leidinggevende aanwezig was.
Overwegingen
De afwezigheid van een leidinggevende wordt in het bestreden besluit niet genoemd. In het primaire besluit wél, maar pas na het kopje 'bezwaar' onder het kopje 'afwezigheid leidinggevende'. Dit is naar het oordeel van de rechtbank dan ook een overweging die los staat van het bestreden besluit. Daarentegen overweegt de rechtbank dat het strafrechtelijk verleden van eiser – ondanks eerdere verlening van de vergunning – door verweerder terecht bij de beoordeling is betrokken. Het kan namelijk zijn dat dit feit samen met andere omstandigheden later wél in het nadeel van eiser uitvalt. Daarnaast is niet in geschil dat een verdenking voldoende kan zijn om in de beoordeling te betrekken of sprake is van slecht levensgedrag. Een onherroepelijk veroordeling is niet vereist.
De vraag is alleen of verweerder deze verdenking met voldoende feiten en omstandigheden heeft onderbouwd, om dit in het nadeel van eiser te mogen betrekken bij de beoordeling. Alhoewel hier geen strafrechtelijke bewijsregels gelden, moet verweerder – gelet op de ontkenning door eiser – wel enigszins aannemelijk maken dat eiser bij de strafbare feiten betrokken is. De rechtbank is van oordeel dat verweerder hiervoor onvoldoende onderbouwing heeft gegeven. De betrokkenheid van eiser bij de strafbare feiten is onvoldoende aannemelijk. Dit leidt ertoe dat verweerder zijn conclusie onvoldoende heeft gemotiveerd.
Uitspraak
De rechtbank heeft op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de mogelijkheid om het bestuursorgaan in de gelegenheid te stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank bepaalt dat verweerder binnen zes weken na verzending van de tussenuitspraak het gebrek kan herstellen (opnieuw komen tot een motivering dan wel tot een andere conclusie waarop de besluiten kunnen worden ingetrokken).