De verhouding tussen gemeentelijke regelgeving en landelijke wetgeving op het gebied van dierenwelzijn bij evenementen (zoals bijvoorbeeld een circus) is meerdere malen onderwerp geweest van rechtspraak door de Raad van State. In de verschillende jurisprudentie is een duidelijke lijn te herkennen: gemeenten mogen géén eigen, aanvullende regels stellen over dierenwelzijn bij circussen. Eventuele beperkingen of verboden kunnen uitsluitend worden gebaseerd op gronden zoals openbare orde, veiligheid of volksgezondheid.
De zaak Winschoten (2009)
Een belangrijk voorbeeld is de uitspraak van de Raad van State Gemeente Winschoten (2009). In deze zaak had de gemeente Winschoten in haar Algemene Plaatselijke Verordening (APV) het niet zorgdragen voor het dierenwelzijn opgenomen als zelfstandige weigeringsgrond voor een evenementenvergunning.
De Raad van State oordeelde dat de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren ((Gwwd), sinds 2013 vervangen door Wet dieren) een uitputtende regeling beoogt te zijn. Gemeenten hebben wettelijk geen grondslag en kunnen daarom formeel niet zelfstandig aanvullende regels stellen over dierenwelzijn in de APV (welke voornamelijk op de openbare orde is gericht). De APV-bepaling van Winschoten werd in strijd geacht met hogere regelgeving, en de burgemeester had zijn weigering daar niet op mogen baseren.
Recente ontwikkeling: Almere (2025)
Opvallend is dat Almere in 2025 wél een vergaand verbod heeft ingevoerd op circussen met dieren. De gemeente heeft haar APV aangepast, waardoor alleen nog circussen zonder dieren een vergunning kunnen krijgen. (almeredezeweek.nl)
Dit verbod gaat verder dan de landelijke regelgeving, die sinds 2015 enkel het gebruik van wilde dieren in circussen verbiedt. Almere sluit ook het gebruik van gedomesticeerde dieren uit.
De gemeente motiveert dit verbod echter formeel niet (alleen) met dierenwelzijn, maar vooral met argumenten van openbare orde, veiligheid en volksgezondheid. Zo wordt gewezen op risico’s zoals ontsnapte dieren en mogelijke verspreiding van ziekteverwekkers.
Juridische spanning
Deze ontwikkeling roept een duidelijke juridische spanning op. Enerzijds volgt uit de jurisprudentie van de Raad van State dat dierenwelzijn een uitputtend door de formele wetgever geregeld onderwerp is, waardoor gemeenten geen eigen regels mogen stellen. Anderzijds laat Almere zien dat gemeenten in de praktijk toch proberen vergelijkbare resultaten te bereiken via deels andere juridische grondslagen.
De kern van deze spanning ligt in de motivering:
- Verboden gebaseerd op dierenwelzijn → in strijd met hogere wetgeving (volgens vaste jurisprudentie);
- Verboden gebaseerd op openbare orde, veiligheid of volksgezondheid → in beginsel wél toegestaan mits goed en houdbaar onderbouwd.
Daarmee heeft Almere een juridische principiële keuze gemaakt en ruimte gezocht, en naar hun mening gevonden in de APV. Of deze “weg” stand zal houden is nu de vraag. Het zou voor iedereen wenselijk zijn als deze vraag voorgelegd wordt aan de Raad van State. Dat kan voor vergelijkbare gevallen soelaas bieden.