Sluiting na controle op illegale arbeid
De burgemeester van Zaanstad besloot in mei 2025 om twee horecazaken direct voor vier weken te sluiten en de exploitatievergunningen in te trekken. Aanleiding was een controle van onder meer de Nederlandse Arbeidsinspectie, waarbij meerdere werknemers zonder geldige papieren zouden zijn aangetroffen.
De burgemeester baseerde zich daarbij op de Horeca sanctiestrategie en Sluitingenbeleid Zaanstad. Volgens dit beleid kan bij overtredingen zoals het ontbreken van een leidinggevende of slecht levensgedrag worden overgegaan tot waarschuwingen, sluiting en intrekking van vergunningen. In dit geval concludeerde de burgemeester dat sprake was van “slecht levensgedrag”, wat een grond vormt voor intrekking van de vergunning op basis van de APV.
Twijfels over feiten en bewijs
De voorzieningenrechter plaatste echter grote vraagtekens bij de feitelijke onderbouwing van dat oordeel. De rapportages van de controle waren volgens de rechter summier en op onderdelen tegenstrijdig, waardoor niet duidelijk was welke feiten precies vaststonden.
De ondernemers betwistten bovendien een groot deel van de bevindingen. Zij stelden dat werknemers legaal in dienst waren of slechts aan het inwerken waren, en dat geen sprake was van structurele overtredingen.
Maatregel onvoldoende onderbouwd
De rechter benadrukte dat het oordeel “slecht levensgedrag” zwaar weegt en daarom zorgvuldig en goed onderbouwd moet zijn. In dit geval vond de rechter dat niet overtuigend was aangetoond dat de geconstateerde feiten die conclusie rechtvaardigden.
Daarnaast woog de rechter de gevolgen voor de ondernemers mee. De directe sluiting had ingrijpende financiële en praktische gevolgen, terwijl de burgemeester onvoldoende had onderbouwd waarom onmiddellijke sluiting noodzakelijk was.
Ook was niet gebleken van concrete aanwijzingen voor betrokkenheid bij criminaliteit of ondermijning, ondanks eerdere suggesties in die richting.
Schorsing van de besluiten
De voorzieningenrechter schorste daarom de besluiten van de burgemeester. Dat betekent dat de lunchrooms voorlopig weer open mochten blijven totdat er een beslissing is genomen in de bezwaarprocedure.
De rechter oordeelde daarbij onder meer dat:
- Vaststond dat bij de controle geen exploitant of leidinggevende aanwezig was, in strijd met de APV;
- Niet duidelijk was welke feiten precies aan het besluit ten grondslag lagen;
- De maatregel mogelijk onevenredig zwaar was;
- De burgemeester geen specifiek spoedeisend belang had aangetoond naast het algemene belang van handhaving.
Volgens de rechter had de gemeente te snel en te zwaar ingegrepen zonder voldoende feitelijke onderbouwing.
Evenredigheidsbeginsel
De Raad van State heeft in vergelijkbare zaken benadrukt dat bestuursbesluiten moeten voldoen aan het evenredigheidsbeginsel van artikel 3:4, tweede lid, Awb. Naar aanleiding van de Harderwijk-uitspraak uit 2022 wordt daarbij een driedelige evenredigheidstoets toegepast. Daarbij wordt beoordeeld of het besluit geschikt is ter verwezenlijking van het beoogde doel, of het noodzakelijk is bij gebreke van een minder belastend alternatief en of de nadelige gevolgen voor betrokkenen in verhouding staan tot het met het besluit gediende belang.