Alcoholwetcontrole
Tijdens een controle in het kader van de Alcoholwet betraden de toezichthouders een winkel. Tijdens hun inspectieronde constateerden zij dat het assortiment voornamelijk bestond uit onder andere souvenirs, kleding, elektronica en verzorgingsproducten. Het aanbod van levensmiddelen was volgens de toezichthouders beperkt en bestond onder meer uit chips en koek. Bij verdere inspectie stelden zij vast dat er tevens zwak-alcoholhoudende dranken en tabak werden verkocht en op voorraad aanwezig waren.
Bestuurlijke boete door burgemeester
De burgemeester legde daarop een bestuurlijke boete op van € 1.565,- wegens overtreding van artikel 25 van de Alcoholwet.
De ondernemer ging bezwaar bij de bezwaarcommissie. Het bezwaar werd ongegrond verklaard, waarna beroep werd ingesteld.
Beroep van eiseres
De eiseres verweerde dat de bestuurlijke rapportage van bevindingen niet volledig was en dat niet de gehele winkel was gefotografeerd. De rechtbank ging daar niet in mee. Het rapport bevatte een feitelijke beschrijving van de situatie ter plaatse en werd ondersteund door foto’s. Dat niet elk hoekje van de winkel was vastgelegd, deed volgens de rechtbank niet af aan de bewijskracht. De rechtbank stelde dat het aanwezig hebben, en op voorraad hebben, al voldoende is voor het vaststellen van een overtreding op grond van artikel 25 van de Alcoholwet.
Overwegende mate levensmiddelen
Aanbod en uitstraling zijn voldoende bewijs om een grens te kunnen trekken in waarin het begrip ‘’overwegende mate levensmiddelen’’ moet worden begrepen, namelijk dat het assortiment en de presentatie van een winkel doorslaggevend moet zijn om te bepalen of de hoofdactiviteit primair is gericht op de verkoop van levensmiddelen, en niet op nevenassortimenten zoals alcohol en tabak. De eiseres stelde dat de winkel onder de uitzondering viel, omdat er ook levensmiddelen werden verkocht. Daarbij werd aangevoerd dat niet naar omzetcijfers was gekeken.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank oordeelde anders. De Alcoholwet wijst op winkels waar voornamelijk levensmiddelen worden verkocht, zoals supermarkten, slagers en groentezaken. De beoordeling ziet met name op aanbod en uitstraling van de winkel, niet op financiële gegevens. “Overwegend” betekent ruim meer dan de helft. Omdat het assortiment hoofdzakelijk bestond uit souvenirs, kleding, elektronica, verzorgingsproducten en slechts beperkt uit levensmiddelen, kon niet worden gesproken van een winkel waar in ‘’overwegende mate levensmiddelen’’ worden verkocht.
Geen ‘warenhuis’ in de zin van de wet
De eiseres hield in haar verweer dat zij met haar winkel onder een warenhuis viel met een levensmiddelenafdeling van minimaal 15 m².
Ook dit hield geen stand. De rechtbank oordeelde dat:
- een warenhuis meerdere afdelingen moet hebben;
- er een duidelijke levensmiddelenafdeling moet zijn;
- er een gevarieerd assortiment aanwezig moet zijn;
- de minimale oppervlakte van 15 m² moet worden gehaald.
De winkel voldeed aan geen van deze voorwaarden.
Conclusie
Begripsbepaling ‘’overwegende mate levensmiddelen’’ bevat juridisch een bredere omschrijving van etenswaren dan alleen chips en koeken. Zeker voor de voorwaarden om zwak-alcoholhoudende drank en tabak te mogen verkopen in een warenhuis, naast dat het dan ook nog moet voldoen aan de eerdergenoemde inrichtingseisen.
Naast dat het eerdere bezwaar van de eiseres bij de bezwaarcommissie ongegrond werd verklaard is ook het beroep bij de rechtbank ongegrond verklaard.