Voor het uitoefenen van een horecabedrijf waarin alcohol wordt geschonken, is een vergunning nodig op grond van de Alcoholwet. Deze wet – een zogenaamde bijzondere wet – bevat dwingende definities en eisen om voor een vergunning in aanmerking te komen.
Daarnaast is het van belang om te controleren of het horecabedrijf op de betreffende locatie is toegestaan. Denk bijvoorbeeld aan:
- het omgevingsplan;
- een eventuele milieumelding of omgevingsvergunning;
- de bouwkundige situatie van het pand;
- en mogelijk een exploitatievergunning vanuit de gemeente.
In sommige gemeenten geldt daarnaast een terrasvergunning of een aparte huurovereenkomst voor het gebruik van gemeentegrond. Dit verschilt per gemeente.
Waarom bestaat er een vloeroppervlakte-eis?
De oorsprong van deze eis ligt in de Drankwet van 1931. Destijds wilde de overheid het aantal horecabedrijven beperken om de volksgezondheid te beschermen.
Hoewel veel technische inrichtingseisen later zijn gewijzigd of vervallen, is de minimale oppervlakte-eis bewust behouden. Bij de invoering van de Alcoholwet in 2021 zijn veel andere technische eisen uit het voormalige Besluit eisen inrichtingen Drank- en Horecawet vervallen of verplaatst naar het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).
De minimale oppervlakte
Artikel 10 tweede lid Alcoholwet bepaalt dat een inrichting ten minste één horecalokaliteit moet hebben met een vloeroppervlakte van minimaal 35 m².
Belangrijk daarbij is dat de Alcoholwet spreekt over vloeroppervlakte. Dat betekent dat de oppervlakte casco, van muur tot muur wordt gemeten. Dit is dus iets anders dan de gebruiksoppervlakte.
Sommige gemeenten gebruiken bij een exploitatievergunning juist wél de gebruiksoppervlakte als uitgangspunt. Daardoor kan de beschikbare ruimte voor exploitatie alsnog beperkter zijn dan op basis van de Alcoholwet lijkt.
Het feitelijk meten
Het meten van de oppervlakte moet zorgvuldig gebeuren. Zeker wanneer het een grensgeval betreft en de uitkomst gevolgen kan hebben voor het verlenen van een vergunning.
De Alcoholwet zelf bevat geen specifieke meetinstructies. Voor de methode wordt in de praktijk aangesloten bij regels uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).
In het Bbl wordt verwezen naar NEN 2580, de norm voor een eenduidige oppervlaktebepaling. Meer informatie hierover is te vinden via het Informatiepunt Leefomgeving (IPLO).
Gebruiksoppervlakte en vloeroppervlakte
Volgens NEN 2580 is de gebruiksoppervlakte:
de vloeroppervlakte van een ruimte of een groep van ruimten, gemeten op vloerniveau tussen de opgaande scheidingsconstructies.
Onder scheidingsconstructies vallen bijvoorbeeld:
- dragende wanden;
- scheidingswanden;
- vaste bouwkundige elementen die tot de vloer doorlopen.
De vloeroppervlakte van een ruimte is de oppervlakte die wordt gemeten tussen de wanden die de ruimte omsluiten. Dit is het type oppervlakte waar de Alcoholwet de minimale eis van 35 m² aan stelt.
Meten bij twijfel
De meting moet zorgvuldig worden uitgevoerd. Wanneer er twijfel of discussie ontstaat – bijvoorbeeld bij een mogelijke weigering van een vergunning – kan het zinvol zijn om zelf een meting te laten uitvoeren of na te vragen hoe de meting precies is gedaan.
Lokaal verschillend
Gemeenten kunnen bij exploitatievergunningen andere uitgangspunten hanteren, bijvoorbeeld door te werken met gebruiksoppervlakte in plaats van vloeroppervlakte. Dit kan invloed hebben op de mogelijkheden voor de horecaexploitatie.
Meerdere lokaliteiten
Wanneer een horecabedrijf meerdere lokaliteiten heeft, hoeft alleen één lokaliteit te voldoen aan de minimale oppervlakte-eis van 35 m². Andere ruimtes – bijvoorbeeld een aparte biljartkamer – mogen dus kleiner zijn.