Casus
Op 30 september 2015 heeft een horecabedrijf een aanvraag voor een exploitatievergunning ingediend voor zaalverhuur. De leidinggevende van dit horecabedrijf wordt in de uitspraak Persoon B genoemd. De burgemeester heeft het Landelijk Bureau Bibob (hierna: LBB) gevraagd om advies. Het LBB heeft geadviseerd dat er een ‘ernstig gevaar bestaat’ dat de verleende vergunning gebruikt zou worden om strafbare feiten te plegen, de zogenaamde b-grond (artikel 3, lid 1, aanhef en onder b van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (hierna: Wet Bibob)). Volgens het LLB heeft bedrijf A, de financier van het horecabedrijf van persoon B, op tijdstippen in de periode van 2009 tot 2012 de Algemene Wet inzake rijksbelastingen en op 29 mei 2012 de Wet arbeid vreemdelingen overtreden. Persoon A heeft aan deze feiten feitelijk leiding gegeven. Volgens het LBB is er sprake van een zakelijk samenwerkingsverband tussen het horecabedrijf van persoon B en persoon A met bedrijf A.
In een aanvullend advies, dat later door het LBB is gegeven, is geconcludeerd dat er een mindere mate van gevaar bestaat dat de aangevraagde vergunning mede wordt gebruikt voor het plegen van strafbare feiten omdat het zakelijk samenwerkingsverband recent is verbroken. De burgemeester heeft vervolgens op 8 september 2016 besloten de exploitatievergunning te verlenen onder voorschriften.
De relevante voorschriften zijn:
"1. Het is u niet toegestaan direct of indirect al dan niet financiële zakelijke transacties te verrichten dan wel enige vorm van samenwerking aan te gaan met de heer [persoon A] (geboren [geboortedatum]) en/of aan hem bestaande dan wel nog op te richten gelieerde bedrijven;
2. Het is u niet toegestaan de heer [persoon A] (geboren [geboortedatum]) als leidinggevende noch in enig andere functie of anderszins in of ten behoeve van het horecabedrijf in het perceel Vlampijpstraat 63 werkzaamheden te laten verrichten, dan wel op enige andere wijze zeggenschap uit te (laten) oefenen in of ten behoeve van uw bedrijf;
[…]
5. U dient voor de duur van vijf aaneengesloten jaren, ingaande de datum van onderliggend besluit een register bij te houden welke personen (waaronder uzelf) wanneer in uw inrichting werkzaam zijn. Dit register dient dagelijks geactualiseerd te worden en te allen tijde actueel en volledig ingevuld te zijn. Voorts dient het register in de zaak aanwezig te zijn en op verzoek getoond dan wel verstrekt te worden aan een daartoe bevoegde toezichthouder, politie en/of buitengewoon opsporingsambtenaar."
In 2019 heeft de burgemeester besloten de vergunning in te trekken omdat het horecabedrijf zich niet aan de verbonden voorschriften heeft gehouden. Volgens de burgemeester heeft persoon B, de vertegenwoordiger van het horecabedrijf, loon ontvangen van bedrijf A en heeft hij daarnaast ook namens bedrijf A aangifte gedaan bij de politie van oplichting.
Naar aanleiding van het ingediende bezwaarschrift heeft de burgemeester opnieuw advies aan het LBB gevraagd. Op 17 februari 2020 heeft het LBB een nieuw advies uitgebracht en op 26 februari 2020 een correctie daarop. De burgemeester heeft in bezwaar de grondslag voor de intrekking uitgebreid. Tijdens een controle op 12 oktober 2019 bleek dat het horecabedrijf geen lijst kon laten zien van personen die werkzaam zijn in het bedrijf. Daarnaast werd geconstateerd dat een ander bedrijf permanent een zaal huurt van het horecabedrijf en op die manier een eigen horecabedrijf exploiteert zonder de benodigde vergunning. Dat is op zichzelf al een reden om de vergunning van het horecabedrijf in te trekken. Daarom heeft de burgemeester het besluit gehandhaafd.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt dat het dienstverband tussen persoon B en bedrijf A een schending oplevert van de vergunningsvoorschriften. Maar de burgemeester was al van dit dienstverband op de hoogte, nog voordat de vergunning werd afgegeven. Als dit een probleem was, had de burgemeester dit toen al in de vergunningsvoorwaarden moeten opnemen, stelt de rechtbank. De rechtbank heeft het besluit op bezwaar vernietigd. De intrekking van de exploitatievergunning blijft echter gelden, omdat de andere intrekkingsgronden die de burgemeester heeft genoemd daarvoor voldoende zijn.
De rechtbank heeft in dat kader overwogen dat de burgemeester zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat voorschrift 5 van toepassing is, en dat meegenomen mocht worden dat uit de controle bleek dat de personeelslijsten niet waren ingevuld. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de burgemeester zich verder terecht op het standpunt gesteld dat er sprake is van een gedeeltelijke overdracht van de exploitatievergunning aan de horecaonderneming die permanent een zaal huurt.
Tot slot concludeert de rechtbank dat de burgemeester bevoegd was om de exploitatievergunning in te trekken. De intrekking is volgens de rechtbank dan ook niet onredelijk.
Oordeel van de afdeling
De gronden die aangevoerd werden door het horecabedrijf zijn zo goed als een herhaling van de in beroep aangevoerde gronden. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en de overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd en sluit zich daar dus bij aan. Daarmee is het hoger beroep van het horecabedrijf ongegrond.