Op 26 augustus 2025 deed de Rechtbank Limburg een uitspraak over woningsluiting op grond van artikel 13b van de Opiumwet. De voorzieningenrechter boog zich over de vraag óf een sluiting van een woning, negen maanden na constatering van een overtreding, een passend middel is.
“Eisers hebben aangevoerd dat het tijdsverloop tussen het constateren van de overtreding en het tijdstip van sluiting ertoe kan leiden dat een sluiting van de woning op grond van artikel 13b van de Opiumwet redelijkerwijs niet meer zal bijdragen aan het bereiken van de doelen die met een dergelijke sluiting worden gediend. Eisers verwijzen in dit verband naar de hiervoor al vermelde recente uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025. Eisers stellen dat in hun geval sprake is van een dergelijk tijdsverloop en dat het sluiten van de woning geen geschikt middel meer is om enig doel te bereiken. Eisers menen dat de onrechtmatige situatie al is hersteld en dat niet is gebleken van overtredingen en/of overlast na 18 december 2024, de dag van het onderzoek in de woning. Eisers stellen zich dan ook op het standpunt dat een woningsluiting, negen maanden na constatering van de overtreding, ongeschikt is.”
De burgemeester stelde daarentegen dat de sluiting nog steeds noodzakelijk was, mede gelet op de ernst van de overtreding en de risico’s voor de omgeving.
De voorzieningenrechter heeft in zijn uitspraak aandacht besteed aan het belang van tijdsverloop bij de beoordeling van woningsluitingen.
“Uit de al eerder vermelde uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025 blijkt dat tijdsverloop tussen enerzijds het constateren van de overtreding en anderzijds het tijdstip waarop de burgemeester ingevolge de besluitvorming tot sluiting overgaat, ertoe kan leiden dat het sluiten van de woning niet meer zal bijdragen aan het bereiken van de doelen, die met de sluiting worden gediend. Door tijdsverloop kan namelijk de situatie ontstaan dat de onrechtmatige situatie al is hersteld en de negatieve gevolgen al ongedaan zijn gemaakt. De burgemeester zal altijd in zijn besluitvorming moeten beoordelen of sluiting op het beoogde tijdstip, gelet op het tijdsverloop in samenhang bezien met de overige omstandigheden van het geval, een geschikt middel is en zo ja, of sluiting noodzakelijk is. Als de situatie is hersteld en de burgemeester daardoor zijn beoogde doelen niet meer kan bereiken, is sluiting niet langer geschikt.”
Daarnaast ging de voorzieningenrechter (kort) in op de belangenafweging in dit specifieke geval. Daarbij werd niet alleen gekeken naar de ernst van de overtreding, maar ook naar de gevolgen voor de bewoners, waaronder een minderjarig kind met specifieke ondersteuningsbehoeften. Volgens de rechter waren de nadelige gevolgen van een sluiting voor het gezin en de schoolgang van het kind niet voldoende meegewogen in de besluitvorming van de burgemeester.
De uitspraak laat zien dat rechters niet alleen toetsen of er sprake is van een overtreding van de Opiumwet, maar ook of de gekozen maatregel, in dit geval woningsluiting, op het moment van uitvoering nog een geschikt en noodzakelijk middel is, mede gezien het tijdsverloop en de belangen van betrokkenen. De onderbouwing van een burgemeester moet dus zorgvuldig, tijdig en volledig zijn.