Casusbeschrijving
De Afdeling heeft 16 hoger beroepen en één verzoek tot herziening van de appellant behandeld, die in de afgelopen jaren honderden procedures heeft gevoerd tegen diverse bestuursorganen. De zaken hadden betrekking op uiteenlopende bestuursrechtelijke kwesties, waaronder bezwaarprocedures, dwangsommen, VOG-aanvragen en verzoeken om proceskostenvergoeding. De inhoudelijke beoordeling van deze geschillen stond echter niet centraal, maar de vraag of er sprake was van misbruik van procesrecht door deappellant.
‘[appelant] voert al twintig jaar buitengewoon veel procedures tegen diverse bestuursorganen en instanties, bij burgerlijke rechters en bij bestuursrechters, over allerlei kwesties en besluiten en over het niet tijdig nemen van besluiten, veelal, maar zeker niet uitsluitend, over of naar aanleiding van informatieverzoeken. Het gaat in totaal inmiddels om vele honderden procedures. Bij de Afdeling alleen al heeft [appellant] tot op heden 78 procedures gevoerd.’
De Afdeling besloot de zaken gezamenlijk ter zitting te behandelen, uitsluitend gericht op het mogelijke misbruik van procesrecht.
Tijdens de zitting gedroeg de appellant zich op zodanige wijze, met bedreigende taal en intimiderende uitlatingen, dat de Afdeling zich genoodzaakt zag hem uit de zittingszaal te laten verwijderen.
Oordeel van de rechter
De Afdeling verklaarde alle hoger beroepen en het herzieningsverzoek niet-ontvankelijk wegens misbruik van procesrecht. De uitspraak bevat een uitgebreide onderbouwing die aantoont dat sprake is van een structureel patroon van procederen zonder redelijk doel en met oneigenlijke motieven.
De Afdeling baseert haar oordeel onder meer op:
- het grote aantal procedures dat deappellant heeft gevoerd (honderden in totaal, 78 bij de Afdeling alleen);
- het herhaaldelijk starten van kansloze procedures of procedures zonder inhoudelijke gronden;
- het veelvuldig indienen van wrakingsverzoeken om procesvoering te frustreren;
- het structureel gebruik van beledigende, bedreigende en intimiderende taal, gericht tegen rechters, medewerkers en vertegenwoordigers van bestuursorganen;
- het dreigen met “burgerarrest” en het publiceren van privégegevens van rechters.
Op grond van artikel 3:13 en 3:15 BW, zoals eerder bevestigd in jurisprudentie,, biedt het civiele leerstuk van misbruik van recht ook in het bestuursrecht ruimte voor een niet-ontvankelijkheidsverklaring als sprake is van evident misbruik.
Volgens de Afdeling maakt de appellant met dit gedrag in ernstige mate inbreuk op het beginsel van behoorlijke procesvoering. Het recht op toegang tot de rechter is fundamenteel, maar kent ook grenzen. De bevoegdheid om rechtsmiddelen in te stellen kan niet worden gebruikt om het rechtsstelsel te ondermijnen of anderen stelselmatig te belasten en te intimideren.
De Afdeling besloot ook dat bij toekomstige procedures van de appellant deze standaard worden getoetst op misbruik van recht. Tenzij de appellant het tegendeel aantoont, zal worden aangenomen dat ook die procedures misbruik inhouden. Ook krijgt hij in beginsel geen vrijstelling meer van griffierecht. Tot slot moet de appellant de proceskosten van het college van burgemeester en wethouders van Capelle aan den IJssel, ter hoogte van 1.175 euro, vergoeden.
Conclusie
Deze uitspraak maakt duidelijk dat de Raad van State duidelijke grenzen stelt aan het procederen in het bestuursrecht. Hoewel procederen een grondrecht is, moet dit recht worden uitgeoefend met inachtneming van fatsoen, proportionaliteit en redelijkheid. De uitspraak onderstreept dat het herhaaldelijk misbruiken van rechtsmiddelen, gepaard met intimiderend gedrag, leidt tot niet-ontvankelijkheid.
Het is een duidelijk signaal dat de bestuursrechter de capaciteit van de rechtspleging en de veiligheid van procesdeelnemers serieus neemt en optreedt tegen systematische ondermijning van de rechtsgang. Tegelijkertijd waarborgt de Afdeling dat de appellant in toekomstige zaken de mogelijkheid behoudt om, mits hij zich aan de regels houdt, alsnog toegang tot de rechter te verkrijgen.