De casus: prostitutie in een bewoonde woning
De burgemeester van de gemeente Noordoostpolder besloot op 2 mei 2025 tot sluiting van een woning voor de duur van drie maanden. Op het betreffende adres zijn door gemeentelijke toezichthouders meerdere controles uitgevoerd, waarbij telkens werd vastgesteld dat in de woning prostitutieactiviteiten plaatsvonden. De burgemeester heeft zich op het standpunt gesteld dat de woning daarmee feitelijk werd gebruikt als seksinrichting, zonder dat daarvoor een vereiste vergunning was verleend. Er was sprake van een overtreding van artikel 3.4 van de APV, dat een verbod bevat op het exploiteren van een seksinrichting zonder vergunning van de burgemeester.
Eerdere handhavingsmaatregelen, waaronder een last onder dwangsom, hadden volgens de burgemeester onvoldoende effect. Toen bleek dat de bewoner, na invordering van de dwangsommen, niet stopte met het beschikbaar stellen van de woning voor sekswerk volgde het sluiten van de woning. De sluiting werd gebaseerd op de algemene bestuursdwangbevoegdheid van artikel 125, derde lid, van de Gemeentewet in combinatie met artikel 3.4 van de APV.
De bewoner tekende bezwaar aan tegen de sluiting en verzocht de rechter om een voorlopige voorziening. Centraal stond de vraag of de burgemeester op deze grondslag bevoegd was om een woning te sluiten die als hoofdverblijf van de betrokkene diende.
Het oordeel van de voorzieningenrechter
De voorzieningenrechter wees het verzoek om voorlopige voorziening toe. Daarbij stond één punt centraal: de sluiting van een woning waarin daadwerkelijk wordt gewoond raakt aan de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene, een grondrecht dat wordt beschermd door artikel 10 van de Grondwet en artikel 8 van het EVRM. Een beperking van dat recht is slechts toegestaan op basis van een specifieke grondslag in een formele wet.
Volgens de rechter biedt artikel 125 van de Gemeentewet, in samenhang met artikel 3.4 van de APV, géén toereikende wettelijke basis voor het sluiten van een bewoonde woning. Artikel 125, derde lid, geeft weliswaar een algemene bestuursdwangbevoegdheid aan de burgemeester, maar deze is onvoldoende specifiek om in te grijpen in fundamentele grondrechten zoals het recht op eerbiediging van ieders persoonlijke levenssfeer. Hierdoor is er sprake van een bevoegdheidsgebrek.
De voorzieningenrechter benadrukte dat de wetgever voor het sluiten van woningen, waarmee grondrechten in het geding zijn, deze specifieke bevoegdheid uitdrukkelijk heeft vastgelegd. Zoals in artikel 174a Gemeentewet (bij ernstige ordeverstoring) of in artikel 13b Opiumwet (bij drugshandel). Deze artikelen kunnen dienen als basis voor een inperking van de persoonlijke levenssfeer en zijn ook vanuit dat licht door de wetgever in het leven geroepen. De gemeente had artikel 174a overigens expliciet níet genoemd, omdat er volgens de burgemeester geen sprake was van zodanige ernstige overlast.
Omdat de burgemeester geen andere wettelijke grondslag voor de sluiting had aangedragen, concludeerde de rechter dat het besluit in bezwaar geen stand zal houden. De sluiting werd daarom geschorst.
Conclusie: terughoudendheid vereist bij sluiting van bewoonde woningen
Deze uitspraak is een duidelijke reminder voor gemeenten en hun juridische adviseurs dat een bestuursdwangbevoegdheid niet zomaar kan worden toegepast bij bewoonde woningen. Hoewel de wens begrijpelijk is om herhaalde overtredingen, zoals illegale prostitutie, met kracht te stoppen, is sluiting van een woning een ingrijpend middel dat grondwettelijke bescherming van de persoonlijke levenssfeer raakt.
De bestuursdwangbevoegdheid uit artikel 125 Gemeentewet biedt géén zelfstandige grondslag om in dat grondrecht in te grijpen, ook niet wanneer het gaat om overtreding van APV-bepalingen. Alleen een expliciete wettelijke bevoegdheid zoals artikel 174a Gemeentewet of artikel 13b Opiumwet kan dat rechtvaardigen, mits voldaan is aan de daarin gestelde eisen.