Met het arrest van de Hoge Raad van 6 september 2024 (ECLI:NL:HR:2024:1135) is een belangrijk hoofdstuk toegevoegd aan het Nederlandse bestuursrecht. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat het recht op bijstand tijdens verhoren, zoals neergelegd in het Salduz-arrest van het Europees Hof van de Rechten van de Mens, ook geldt voor bestuursrechtelijke procedures waarin een bestuurlijke boete kan worden opgelegd. Hierdoor worden overheidsinstanties sinds eind vorig jaar geconfronteerd met nieuwe eisen op het gebied van rechtsbescherming en procedurele zorgvuldigheid. In dit artikel lichten we een stuk achtergrond toe en geven we tips hoe hiermee om te gaan in de praktijk.
Het juridische kader: van strafrecht (Salduz) naar bestuursrecht
Het Salduz-arrest is een uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens uit 2008. Het arrest bepaalt dat een verdachte recht heeft op bijstand van een advocaat vanaf het eerste politieverhoor. Dit recht vloeit voort uit artikel 6 Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (recht op een eerlijk proces). De kern van het arrest is dat een verklaring die is afgelegd zonder toegang tot een advocaat in principe niet als bewijs mag worden gebruikt, tenzij er zwaarwegende redenen zijn én het proces als geheel eerlijk blijft. Tot voor kort werd het recht op rechtsbijstand tijdens verhoren alleen als een strafrechtelijke waarborg beschouwd. De Hoge Raad heeft met zijn uitspraak deze lijn expliciet doorgetrokken naar het bestuursrecht.
Wanneer begint dit recht te gelden?
Zodra een bestuursorgaan handelingen verricht waaruit de betrokkene redelijkerwijs kan afleiden dat hem een boete boven het hoofd hangt, ontstaat wat in Europees recht een ‘criminal charge’ heet. Dat betekent: de procedure krijgt een punitief karakter. Vanaf dat moment moet de belanghebbende worden geïnformeerd over zijn recht op bijstand. Dit informeren moet vóór het eerste verhoor plaatsvinden en gelijktijdig gebeuren met het geven van de cautie (niet verplicht tot antwoorden); artikel 5:10a van de Algemene wet bestuursrecht.
Wat zijn de gevolgen van een fout?
Het niet informeren van de belanghebbende is een vormverzuim. Maar dat betekent niet automatisch dat het verkregen bewijs (zoals een verklaring) ongeldig is. De Hoge Raad geeft aan dat het hele proces moet worden beoordeeld op eerlijkheid. De volgende factoren spelen daarbij een rol:
1. Heeft de betrokkene alsnog rechtsbijstand gehad?
2. Was hij kwetsbaar (bijv. jong, anderstalig, psychisch beperkt)?
3. Is er druk uitgeoefend?
4. Was het bewijs betrouwbaar?
5. Is de verklaring later ingetrokken of gewijzigd?
Wat betekent dit voor toezichthouders en handhavers?
Deze ontwikkeling heeft dus duidelijk consequenties voor de werkwijze van met name toezichthouders en handhavingsinstanties, die handhaven door middel van het opleggen van bestuurlijke boetes.
Een onzorgvuldige informatievoorziening kan leiden tot juridische risico’s in bezwaar- of beroepsprocedures. De praktijk waarin toezichthouders in informele setting verklaringen afnemen zonder juridische waarborgen is niet langer houdbaar bij boeteverhoren. De betrokkene moet in de gelegenheid worden gesteld om zich te laten bijstaan. Dit vraagt om aangepaste protocollen, logistieke planning én training van toezichthouders in hoe om te gaan met gemachtigden tijdens het verhoor. Verhoren moeten zorgvuldig worden gedocumenteerd. Indien verklaringen zijn afgelegd zonder dat het recht op bijstand is gerespecteerd, kan dat gevolgen hebben voor de bruikbaarheid van het bewijs. Overheidsinstanties moeten anticiperen op rechterlijke toetsing achteraf en hun verslaglegging daarop inrichten. De toevoeging van het recht op bijstand kan leiden tot langere procedures, meer juridische complexiteit en mogelijk meer bezwaar- en beroepszaken. Bestuursorganen moeten hun huidige handhavingsstrategie dus evalueren: de nadruk verschuift van snelheid en efficiëntie naar procedurele zorgvuldigheid en rechtszekerheid.
Aanbevelingen voor de praktijk
1. Neem het informeren over rechtsbijstand standaard op in de voorbereiding van elk verhoor.
2. Zorg voor duidelijke, uniforme informatie, bijvoorbeeld in de vorm van een standaardtekst of formulier.
3. Train toezichthouders en medewerkers die verhoren afnemen in het geven van de cautie én de informatie over rechtsbijstand.
4. Documenteer zorgvuldig wanneer, hoe en door wie de betrokkene is geïnformeerd.
5. Bied ruimte voor het inschakelen van rechtsbijstand en help indien nodig met toegankelijke informatie daarover.
6. Wees extra zorgvuldig bij kwetsbare personen zoals minderjarigen, mensen met een beperking of mensen die de Nederlandse taal onvoldoende machtig zijn.
Conclusie
De uitspraak van de Hoge Raad van 6 september 2024 vormt een kantelpunt in het bestuursrecht. Het recht op rechtsbijstand is een onmisbaar onderdeel van een eerlijke bestuurlijke boeteprocedure. Overheidsinstanties moeten hun verhoorpraktijken herzien. Het is een noodzakelijke stap in de richting van een bestuursrecht dat niet alleen doeltreffend is, maar ook rechtvaardig. Door tijdig te informeren en zorgvuldig te handelen, wordt niet alleen voldaan aan de juridische eisen, maar blijft ook de integriteit van het handhavingsproces gewaarborgd.