Casus
De burgemeester heeft een aanvraag voor een Alcoholwetvergunning voor een hotel afgewezen. Op de aanvraag is de wet Bibob van toepassing. Tijdens het onderzoek zijn er redenen aan het licht gekomen die wijzen op de b-grond: het ernstige gevaar dat er met de vergunning strafbare feiten gepleegd zullen worden. Daarom wordt gesteld dat er sprake is van artikel 3 lid 6 van de Wet Bibob. Uit het advies van het Landelijk Bureau Bibob bleek dat de bestuurder vermoedelijk valsheid in geschrifte heeft gepleegd bij het invullen van het Bibob-formulier om de vergunning te verkrijgen. Daarbij heeft hij op het Bibob-formulier op de vraag of hij in de afgelopen vijf jaar is veroordeeld, een schikking is aangegaan met het Openbaar Ministerie of als verdachte is aangemerkt, geantwoord: "niet van toepassing". Daarnaast heeft hij niets ingevuld bij het gedeelte van het formulier dat bestemd is om strafrechtelijke antecedenten aan te geven terwijl hij één antecedent had in het kader van de Opiumwet en één in het kader van de Wet Wapens en Munitie.
“Tegen het besluit van de burgemeester heeft het hotel bezwaar gemaakt. De burgemeester heeft dit bezwaar bij het besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft bij uitspraak het beroep van het hotel gegrond verklaard, het besluit vernietigd en de burgemeester opgedragen om een nieuw besluit te nemen.”
Oordeel van de Afdeling: weigering op grond van de Wet Bibob
“De Afdeling is van oordeel dat de rechtbank ten onrechte niet de conclusie heeft getrokken dat artikel 3, zesde lid, van de Wet Bibob in dit geval voldoende grondslag biedt voor het weigeren van de aangevraagde Alcoholwetvergunning”.
De Afdeling verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 16 oktober 2024, waaruit blijkt dat het de taak is van de aanvrager om het Bibob-formulier op de juiste wijze in te vullen.
“Dit formulier bevat de duidelijke en specifieke vraag of de aanvrager de voorafgaande vijf jaar onder meer is veroordeeld of een schikking met het OM is aangegaan. Het hotel had zich daarom kunnen en moeten realiseren dat zij in antwoord daarop de transactie met het OM wegens overtreding van de Opiumwet had moeten vermelden. Het betoog van het hotel dat de bestuurder niet hoefde te verwachten dat dat strafbare feit een beletsel zou vormen voor vergunningverlening, laat onverlet dat de vraagstelling op het Bibob-formulier duidelijk is en betrekking heeft op strafrechtelijke antecedenten. Die vragen moeten volledig en naar waarheid beantwoord worden. Het is dan aan de burgemeester om te beoordelen of de strafrechtelijke antecedenten al dan niet een beletsel vormen voor vergunningverlening. Het strafrechtelijke feit dat het hotel niet heeft vermeld betreft een overtreding van de Opiumwet. Dat is een feit dat bij uitstek niet is te verenigen met het exploiteren van een horecazaak, en is bovendien ernstig. De horeca is immers een branche die kwetsbaar is voor dit soort strafbare feiten. De burgemeester heeft terecht naar voren gebracht dat als dit feit op het formulier was vermeld dit zeker aanleiding zou hebben gevormd voor nader onderzoek. Mede daarom mocht hij vanwege het als gevolg daarvan gerezen vermoeden van valsheid in geschrifte weigeren de Alcoholwetvergunning te verstrekken aan het hotel. Dat de burgemeester geen aangifte heeft gedaan van vermoedens van valsheid in geschrifte doet niet af aan de objectieve ernst hiervan. De gevolgen voor het hotel zijn voorts beperkt nu hij nog steeds zijn hotel kan exploiteren, maar zonder de mogelijkheid daar alcohol te schenken.”
Het betoog slaagt.
“Omdat de burgemeester alleen al op grond van artikel 3, lid 6, van de Wet Bibob mocht weigeren de Alcoholwetvergunning te verlenen, komt de Afdeling niet toe aan de vraag of de burgemeester ook mocht weigeren die vergunning te verlenen vanwege het ernstig vermoeden dat met de vergunning strafbare feiten zullen worden gepleegd en de vraag of de bestuurder van het hotel niet voldoet aan de eis dat hij niet in enig opzicht van slecht levensgedrag is.”
[1] Artikel 3 lid 6 Wet Bibob: Eenzelfde bevoegdheid tot weigering dan wel intrekking als bedoeld in het eerste lid hebben bestuursorganen, indien feiten en omstandigheden erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat ter verkrijging of behoud van de aangevraagde dan wel gegeven beschikking een strafbaar feit is gepleegd. De weigering dan wel intrekking vindt slechts plaats, indien deze tenminste evenredig is met, ingeval van vermoedens, de ernst daarvan en met de ernst van het strafbare feit.