In dit artikel lichten we een uitspraak toe van de Rechtbank Midden-Nederland van 23 december 2024. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van een mevrouw tegen de intrekking van de vergunning “alcoholvrij bedrijf”, zoals deze genoemd wordt in de uitspraak, en de bijbehorende terrasvergunning.
Casus
Een mevrouw is bestuurder van meerdere horecavestigingen, waarbij zij franchisenemer is. In 2020 is mevrouw gestart met een nieuwe horecavestiging, waarvoor zij een vergunning aan heeft gevraagd. Bij het beoordelen van de aanvraag voor een vergunning “alcoholvrij bedrijf” met terrasvergunning is een Bibob-onderzoek uitgevoerd. Tijdens de behandeling van de aanvraag is aan het Landelijk Bureau Bibob (het LBB) om advies gevraagd. Het LBB heeft geadviseerd dat er een mindere mate van gevaar bestaat dat de vergunning wordt gebruikt om strafbare feiten te plegen. De burgemeester is van dit advies afgeweken en heeft de vergunning geweigerd omdat hij van mening is dat er sprake is van een ernstig gevaar dat de vergunningen mede worden gebruikt om strafbare feiten te plegen.
Sinds 2017 is deze mevrouw de bestuurder van de eiseres c.q. de desbetreffende B.V.. Aan de eiseres is in 2017 al een vergunning voor de exploitatie van een alcoholvrij bedrijf en een bijbehorende terrasvergunning verleend. De weigering van de vergunning van de mevrouw ziet de burgemeester als aanleiding om ook een nieuw Bibob-onderzoek op te starten naar eiseres. Eiseres heeft per brief aan de burgemeester medegedeeld dat zij het formulier niet zal invullen en aanleveren omdat zij vindt dat ze hiertoe niet verplicht is en er worden dan ook, na nogmaals het verzoek te hebben gedaan, geen stukken aangeleverd bij de burgemeester. Hierop heeft de burgemeester de vergunningen van eiseres ingetrokken omdat er, naar zijn oordeel, een ernstig gevaar zou bestaan dat de vergunningen mede worden gebruikt om strafbare feiten te plegen. De burgemeester baseert zijn oordeel op twee redenen. Allereerst zijn de vergunningen van eiseres ingetrokken op basis van de feiten die ten grondslag liggen aan de weigering van de aanvraag van de nieuwe horecavestiging. Een tweede reden is de omstandigheid dat eiseres het Bibob-formulier niet heeft ingevuld.
De weigering van de vergunning van mevrouw leidde, eerder al, tot een rechtszaak. Op 6 april 2023 heeft de rechtbank uitspraak gedaan over de weigering van de aanvraag. Kort gezegd, heeft de rechtbank geoordeeld dat er een mindere mate van gevaar is en dat de weigering van de aanvraag onevenredig is. De burgemeester heeft de opdracht gekregen een nieuw besluit te nemen. De uitspraak is voor de burgemeester geen aanleiding geweest om de intrekking van de vergunningen van eiseres te herzien.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank buigt zich over twee vragen. De eerste betreft: heeft de burgemeester de vergunningen van eiseres kunnen intrekken wegens een ernstig gevaar dat de vergunningen mede gebruikt worden om strafbare feiten te plegen?
De rechtbank ziet geen aanleiding om nu anders te oordelen over de weigering dan in 2023. Dit betekent dat de burgemeester de vergunningen van eiseres niet op grond van dezelfde feiten heeft mogen intrekken als bij de weigering, omdat er een ernstig gevaar zou bestaan dat de vergunningen mede worden gebruikt om strafbare feiten te plegen.
De tweede vraag betreft: heeft de burgemeester de vergunningen van eiseres kunnen intrekken wegens weigering van het invullen van het Bibob-formulier?
De rechtbank oordeelt dat de intrekking van de vergunningen in deze situatie onevenredig is. Het niet invullen van het Bibob-formulier noodzaakt niet direct tot de intrekking van de vergunningen, gelet op de informatie die al bij de burgemeester bekend was en ook gebruikt is in de besluitvorming. De intrekking van een vergunning is een bevoegdheid waarmee niet lichtvaardig kan worden omgegaan, stelt de rechtbank. De rechtbank is van oordeel dat lastig te begrijpen is waarom de burgemeester hier is overgegaan tot intrekking van de vergunningen, terwijl de weigering in de andere zaak (voorlopig) van tafel is. De rechtbank ziet vervolgens aanleiding het geschil finaal te beslechten door zelf in de zaak te voorzien en het primaire besluit te herroepen. De rechtbank ziet namelijk niet in hoe de burgemeester met een nieuwe belangenafweging en/of nieuwe motivering alsnog tot een intrekking van de vergunningen kan komen die evenredig is. Dit betekent dat de intrekking van de vergunningen op de gronden zoals in deze procedure spelen, van tafel is. De vergunningen die zijn verleend, herleven dus als het ware. Daarbij merkt de rechtbank wel op dat dit oordeel niet betekent dat als eiseres in de toekomst weigert een Bibob-formulier in te vullen, dit niet kan leiden tot intrekking van de vergunningen. De rechtbank oordeelt alleen dat die intrekking nu, gelet op de situatie, onevenredig is. Daarnaast hecht de rechtbank eraan te benoemen dat de rechtbank zich met dit oordeel niet uitspreekt over eventuele vergunningsvoorschriften. Dat ligt in deze zaak bij de rechtbank niet voor.