‘Schaarse vergunningen’ passeert met enige regelmaat de revue bij BHBW. Het blijft, zo lijkt, een lastig onderwerp voor velen. Jurisprudentie kan ons hierin een richting geven. Daarom lichten wij in dit artikel een uitspraak uit van de Rechtbank Overijssel waarin de vraag wordt beantwoord of het college wel een looptijd mocht verbinden bij een overschrijving van een (schaarse) standplaatsvergunning.
Casus
In 2006 is er een vergunning verleend voor het innemen van een vaste standplaats voor onbepaalde tijd. Op 6 april 2023 heeft de eiser in deze zaak het college verzocht om de vergunning van 2006 verleend aan zijn vader, onder dezelfde voorwaarden over te schrijven op zijn naam. Op 8 mei 2023 heeft het college van Burgemeester en Wethouders een standplaatsvergunning die geldig was voor onbepaalde tijd overgeschreven van vader op zoon. Echter, bij het overschrijven heeft het college de looptijd van de vergunning beperkt tot vijf jaar. Met een besluit van 28 november 2023 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 8 mei 2023 gegrond verklaard en heeft het de looptijd van de standplaatsvergunning verlengd tot tien jaar. De rechtbank beoordeelt in deze zaak of het college de standplaatsvergunning voor onbepaalde tijd wel mocht omzetten in een vergunning voor bepaalde tijd.
Beoordeling van de rechtbank
Het college voerde onder andere aan dat er sprake is van een (beleidsmatige) schaarse vergunning en dat deze op grond van de Dienstenrichtlijn en de Dienstenwet niet voor onbepaalde tijd mag worden verleend of verlengd. Het college heeft gesteld bezig te zijn de Marktverordening en het Marktreglement hierop aan te passen en nieuw integraal beleid voor te bereiden dat zal gaan gelden voor de standplaatsvergunningen van alle marktondernemers, maar dit is op dit moment nog niet aan de orde. Naar het oordeel van de rechtbank is het college in het kader van deze aanvraag op dit moment, niet verplicht de looptijd van de vergunning te beperken.
Een korte juridische uitstap: de Marktverordening en het Marktreglement (hierna: de regelgeving) stellen dat het verboden is een standplaats op een markt in te nemen zonder vergunning van het college. Ook stelt de regelgeving dat een vaste standplaatsvergunning, in geval van bedrijfsbeëindiging, kan worden overgeschreven op een kind van de vergunninghouder. Hierbij staat niet de mogelijkheid om aan een overgeschreven standplaatsvergunning een (bepaalde) looptijd te verbinden: een vergunning wordt verlengd voor onbepaalde tijd.
De rechtbank stelt dat het college, door aan de vergunning een looptijd van tien jaar te verbinden, de vergunning heeft gewijzigd in plaats van overgeschreven. “Anders dan het college zelf meent, verplichtten de Dienstenrichtlijn en de Dienstenwet hem er niet toe om de bestaande standplaatsvergunning naar aanleiding van de aanvraag van eiser van 6 april 2023 om te zetten in een vergunning voor bepaalde tijd”. Naar het oordeel van de rechtbank leidt de overschrijving van een standplaatsvergunning van vader op zoon niet tot het verlenen van een nieuwe vergunning of het verlengen van een bestaande vergunning, maar enkel tot een wijziging van de tenaamstelling van de bestaande vergunning. Dit is een administratieve handeling die op zichzelf niet in strijd is met de bepalingen van de Dienstenrichtlijn en Dienstenwet over schaarse vergunningen.
Door de standplaatsvergunning aan eiser te verlenen voor bepaalde tijd is het college in dit specifieke geval (ad hoc) vooruitgelopen op de aangekondigde aanpassing van de Marktverordening, het Marktreglement en het daarop te baseren integrale beleid, terwijl het daartoe niet verplicht was. Nu de andere marktondernemers ook nog een standplaatsvergunning voor onbepaalde tijd hebben, volgt ook nog dat eiser naar aanleiding van zijn aanvraag anders is behandeld, terwijl niet is gebleken dat hiertoe aanleiding bestond. Dit betekent dat het college ook niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom er geen sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel.