Casus
In Den Haag woont een man die bij de politie ambtshalve bekend is in verband met zijn verslaving aan harddrugs. Over een periode van vijf jaar zijn er 123 registraties over hem en 23 registraties over zijn woonhuis in de politieregisters opgenomen die gaan over het bezit van harddrugs en het veroorzaken van overlast in relatie tot harddrugs. Uit meldingen van omwonenden en observaties van de politie is bij de politie bekend dat het op elk moment van de dag een komen en gaan is van drugsgebruikers bij de woning en dat dit voor overlast zorgt.
Naar aanleiding van de door de politie opgemaakte bestuurlijke rapportage van 2 juli 2020 en diverse mutatierapporten uit de periode van 8 juli tot en met 7 oktober 2020, heeft de burgemeester op 2 november 2020 besloten om de woning op grond van artikel 13b van de Opiumwet voor zes maanden te sluiten. De burgemeester stelt dat de sluiting noodzakelijk en evenredig is ‘omdat de woning bekendstaat als drugspand en er structureel overlast is door de toeloop van gebruikers en dealers’. Het doel van de sluiting is om de bekendheid van de woning als drugspand weg te nemen en dat de ‘loop’ naar de woning er uitgehaald wordt. De woning is daarom gesloten geweest voor een half jaar.
Uitspraak van de rechtbank
De rechtbank heeft geoordeeld dat de burgemeester bevoegd was om de woning te sluiten. Ondanks dat er geen handelshoeveelheid drugs in de woning is aangetroffen, maken politiewaarnemingen, verklaringen van omwonenden, bezoekers van de woning en de verklaring van de man zelf het aannemelijk dat er sprake is van het verstrekken van drugs in en vanuit de woning, geeft de rechtbank aan. De sluiting van de woning was daarnaast evenredig volgens de rechtbank, waardoor de burgemeester geen aanleiding hoefde te zien om van de sluiting af te zien.
Waarom is de man het daar niet mee eens?
Hij betoogt dat de burgemeester niet bevoegd was om de woning te sluiten. In de woning zijn geen drugs verhandeld, stelt hij. Degenen die zijn woning bezochten, kwamen daar alleen om drugs te gebruiken, maar niet om drugs te halen. Ook blijkt, ondanks zijn verklaring over dealers bij zijn woning, volgens hem niet uit de mutatierapporten dat er sprake was van het bezoeken van de woning voor het verkrijgen van drugs.
Toepassing artikel 13b Opiumwet
De burgemeester is bevoegd om artikel 13b van de Opiumwet toe te passen indien aannemelijk is dat in een woning drugs worden verkocht, afgeleverd of verstrekt of daartoe aanwezig zijn (zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2400, onder 5.1). Deze bepaling uit artikel 13b vereist volgens de Afdeling niet dat de woning is binnengetreden en dat daarbij een bepaalde hoeveelheid drugs is aangetroffen. De burgemeester is ook bevoegd om deze bepaling toe te passen indien geen drugs zijn aangetroffen in de woning, maar op grond van andere feiten en omstandigheden aannemelijk is dat drugs worden verkocht, afgeleverd of verstrekt in de woning, geven zij vervolgens aan.
Was de burgemeester bevoegd om deze woning te sluiten terwijl er geen handelshoeveelheid drugs in de woning is aangetroffen? Conclusie van de Afdeling in deze zaak: Ja
Hoewel er geen handelshoeveelheid drugs in de woning is aangetroffen, zijn er wel feiten en omstandigheden op grond waarvan het aannemelijk is dat er in de woning drugs werden verkocht, afgeleverd of verstrekt oordeelt de Afdeling. De burgemeester heeft hiervoor diverse rapporten ter onderbouwing hiervan (de door de politie opgestelde bestuurlijke rapportage en diverse mutatierapporten). Daarin staan verschillende dingen vermeld over meldingen van omwonenden over (druggerelateerde) aanloop naar de woning door verschillende personen, zowel overdag als in de nacht. Het gaat daarbij ook om kortstondige bezoeken die kenmerkend zijn voor drugsdeals. De politie heeft diverse keren hetzelfde waargenomen als wat omwonenden hebben gemeld. Daarnaast heeft de politie tijdens een observatie de man in de deuropening van de woning zien staan en oogcontact zien maken met een drugsdealer. Die drugsdealer is aangehouden en bleek 27 bolletjes cocaïne bij zich te hebben, evenals € 1.432,00, twee telefoons en een zakje wiet. Op een ander moment heeft de politie een omwonende en tevens harddruggebruiker gesproken. Diegene verklaarde over de man: "Bij hem is alles hè, drugs en zelfs prostitutie." De man zelf heeft verder ook ongevraagd aan de politie verklaard dat hij het vervelend vindt dat de politie zo vaak bij hem langskomt, omdat dealers daardoor niet meer aan de deur durven te komen om te dealen uit angst om aangehouden te worden, blijkt uit de bestuurlijke rapportage. Hij heeft verklaard dat hij daardoor zelf de deur uit moet om elders drugs te halen.
De Afdeling oordeelt daarom dat gelet op deze feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het aannemelijk is dat er in de woning drugs werden verkocht, afgeleverd of verstrekt. De burgemeester was daarom bevoegd om de woning van de man op grond van artikel 13b van de Opiumwet te sluiten. De verklaring van de man dat iedereen zijn of haar eigen drugs meenam voor gebruik in zijn woning en dat er in zijn woning geen drugs werden verkocht, afgeleverd of verstrekt, is gelet op de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden niet geloofwaardig, oordeelt de Afdeling tenslotte.