In december 2009 stuurde de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) een brief naar haar leden. In deze brief werd een wijziging van de model-APV aangekondigd. Deze wijziging had betrekking op de exploitatievergunning voor openbare inrichtingen. Sindsdien hebben sommige gemeenten een vrijstelling in hun Algemene plaatselijke verordening (APV) opgenomen, waardoor horecabedrijven die onder de Alcoholwet vallen én die geen overlast veroorzaken niet exploitatievergunningplichtig zijn. De vrijstelling heeft als uitgangspunt vertrouwen in horecabedrijven, waarbij inzet van de exploitatievergunning alleen aan de orde is als de openbare orde en veiligheid in het geding zijn. In dit artikel wordt deze vrijstelling toegelicht, evenals het bestaansrecht van de exploitatievergunning en vergunning voor het uitoefenen van het horecabedrijf op grond van de Alcoholwet.
De vrijstelling toegelicht
De vrijstelling wordt vaak zoals hieronder geformuleerd:
“De burgemeester verleent op verzoek of ambtshalve vrijstelling van het verbod aan openbare inrichtingen die horecabedrijf zijn als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet, indien:
a. zich geen incidenten gepaard gaande met geweld, overlast op straat of drugsgebruik en -handel hebben voorgedaan in of bij de inrichting;
b. de inrichting zich nieuw in de gemeente vestigt en er zich geen weigeringsgronden voordoen als bedoeld in artikel (…) of (…).”
Wanneer een horecabedrijf in de afgelopen zes maanden geen ernstige overlast gegeven heeft, verleent de burgemeester derhalve ambtshalve of op verzoek een vrijstelling van de exploitatievergunningplicht. De exploitatievergunning fungeert in dit systeem dan nog alleen als stok achter de deur voor de horecabedrijven ernstige overlast geven. Tegen de verlening van zo’n vrijstelling staat bezwaar en beroep open. De burgemeester kan de vrijstelling ambtshalve verlenen. Daardoor hoeft de vergunninghouder de vrijstelling niet aan te vragen. Geeft een horecabedrijf alsnog ernstige overlast, dan trekt de burgemeester de vrijstelling in. Het horecabedrijf heeft dan, naast een vergunning op grond van de Alcoholwet, óók een exploitatievergunning nodig en zal die dus moeten aanvragen. Zolang de vergunning niet is verleend, zal het bedrijf gesloten moeten blijven.
Zoals eerder beschreven, heeft de vrijstelling als uitgangspunt vertrouwen. Horecabedrijven die zich nieuw in een gemeente vestigen, krijgen daarom op grond van deze vrijstelling in beginsel het vertrouwen. Als het horecabedrijf wel overlast veroorzaakt, gaat het alsnog onder de exploitatievergunningplicht vallen. Het horecabedrijf heeft dan alsnog een exploitatievergunning nodig en zal die dus moeten aanvragen. Als dit niet gebeurt, wordt de openbare inrichting c.q. het horecabedrijf geëxploiteerd zonder vergunning, wat strafbaar is op grond van de APV. Vervolgens kan de burgemeester handhavend optreden.
De verhouding tussen de exploitatievergunning en de Alcoholwet
De exploitatievergunning en de vergunning uit de Alcoholwet hebben ieder bestaansrecht, aangezien er aan beide vergunningstelsels een verschillend motief ten grondslag ligt. Zo ligt het motief van het exploitatievergunningstelsel in het beschermen van de openbare orde. De exploitatievergunning biedt namelijk de mogelijkheid preventief te toetsen of de exploitatie van een openbare inrichting zich verdraagt met het woon- en leefklimaat ter plaatse. De Alcoholwet daarentegen heeft primair sociaal-hygiënische en sociaal-economische motieven.
Aangezien beide vergunningstelsels een ander motief kennen, is het van belang dat een gemeente die de vrijstellingsbepaling in haar APV heeft, deze vrijstelling voor een exploitatievergunning expliciet bevestigt in het besluit. Indien deze vrijstelling niet verleend wordt, kan de burgemeester de vrijstelling niet intrekken én acteren als zich een incident heeft voorgedaan met geweld, overlast op straat en/of drugs.