Een slijtersbedrijf mag volgens de begripsbepaling uit artikel 1 van de Alcoholwet naast het verstrekken van sterke drank, zwak-alcoholhoudende drank en alcoholvrije drank ook bedrijfsmatig handelingen verrichten die bij algemene maatregel van bestuur zijn aangewezen.
Situatie tot 1 juli 2021
Tot 1 juli 2021 betrof deze algemene maatregel van bestuur het Besluit aanvulling omschrijving slijtersbedrijf. In artikel 1 van dit besluit waren enkele producten opgesomd die het slijtersbedrijf aan particulieren mocht verkopen. Hierin stond onder andere ‘biertapinstallaties’ vermeld. Als voorwaarde gold daarbij dat de verkoop van deze producten geen overwegend bestanddeel van de bedrijfsuitoefening in de inrichting uitmaakt.
In artikel 2 van dit besluit stonden goederen opgesomd die het slijtersbedrijf mocht verhuren. Daarbij ging het om biertapinstallaties, glaswerk en party-meubilair. Ook hier gold als voorwaarde dat die verhuur geen overwegend bestanddeel van de bedrijfsuitoefening in de inrichting mocht uitmaken.
Situatie sinds 1 juli 2021
Sinds 1 juli 2021, het moment dat de Drank- en Horecawet wijzigde in de Alcoholwet, is het Besluit aanvulling omschrijving slijtersbedrijf vervangen door het Alcoholbesluit. Artikel 1 en 2 van het Besluit aanvulling omschrijving slijtersbedrijf zijn overgeheveld naar artikel 2.1 en 2.2 van het Alcoholbesluit. Waar op het eerste oog lijkt dat alle producten en goederen overgeheveld zijn blijkt dat in artikel 2.1 ‘biertapinstallaties’ ontbreekt in vergelijking met artikel 1 van het Besluit aanvulling omschrijving slijtersbedrijf. Vanaf 1 juli 2021 is het daarom in slijtersbedrijven niet langer toegestaan om biertapinstallaties te verkopen.
Het is op grond van artikel 2.2 Alcoholbesluit nog wel steeds toegestaan om biertapinstallaties, glaswerk en party-meubilair te verhuren. Ook in het Alcoholbesluit is de voorwaarde opgenomen dat die verhuur (of de verkoop bij artikel 2.1) geen overwegend bestanddeel van de bedrijfsuitoefening in de inrichting mag uitmaken. Deze voorwaarde is gesteld om duidelijk aan te geven dat verhuurbedrijven van party-meubilair en dergelijken geen aanspraak kunnen maken op een vergunning om het slijtersbedrijf uit te oefenen.