In deze zaak (ECLI:NL:RVS:2020:1147) heeft de burgemeester op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet een woning gesloten voor de duur van zes maanden. De Afdeling oordeelde onder andere over de vraag of de burgemeester onderscheid mocht maken tussen een woning van een woningcorporatie en een woning van een particuliere verhuurder. En dat is dan ook de vraag die in dit artikel centraal staat. Maar voordat we dit zullen bespreken is het eerst handig om te weten wat er gebeurd is voorafgaand aan deze uitspraak.
Uitspraak van 24 april 2019
De Afdeling heeft bij de uitspraak (ECLI:NL:RVS:2019:1310) van 24 april 2019 geoordeeld dat de burgemeester de sluiting onvoldoende had gemotiveerd. De Afdeling motiveerde de vernietiging kort gezegd als volgt:
Het is onduidelijk waarom de woningbouwverenigingen geen sluiting opgelegd krijgen indien zij de huurovereenkomst met de huurder ontbinden. Ook is onduidelijk gebleven waarom de signaalfunctie in het geval van een woning uit de sociale huursector minder belangrijk zou zijn dan in het geval van een woning in de particuliere huursector. Ook is onduidelijk gebleven of de burgemeester [appellant] en anderen dezelfde mogelijkheden heeft geboden om de overlast van drugs in en rondom de woning tegen te gaan. Voor zover dat niet het geval zou zijn, is niet gebleken dat het gerechtvaardigd is dat [appellant] en anderen die mogelijkheden niet hebben gehad. Ook is niet onderbouwd dat krapte in de huursector onderscheid maakt tussen de huursectoren. Daar komt bij dat de burgemeester nu kennelijk niet meer van mening is dat woningen in de sociale huursector niet gesloten hoeven te worden, aangezien nieuwe beleidsregels in werking zijn getreden. Die beleidsregels houden in dat ten aanzien van het sluiten van een woning niet langer een onderscheid wordt gemaakt tussen een woningen uit de verschillende sectoren. De burgemeester zijn besluit is daarom onvoldoende gemotiveerd.
Naar aanleiding hiervan heeft de burgemeester vervolgens een nieuw besluit genomen, waarna de woning weer gesloten werd. [Appellant] en anderen betogen dat deze motivering nog altijd niet afdoende is om het onderscheid te verklaren.
Mocht de burgemeester onderscheid maken tussen een woning van een woningcorporatie en een woning van een particuliere verhuurder?
In de uitspraak van de Afdeling in 2020 is allereerst van belang dat de bepaling uit artikel 13b Opiumwet beleidsruimte laat aan de burgemeester om te bepalen in welke gevallen hij overgaat tot oplegging van een last onder dwangsom. De Afdeling is van oordeel dat de burgemeester goed gemotiveerd heeft dat volkshuisvesting een groot belang is. Anders dan bij particuliere verhuurders mogen zij niet elk willekeurig persoon huisvesten. Dit komt door de wettelijke waarborgen die gelden voor woningcorporaties en het toewijzingsbeleid. Door de lange wachttijden is het belangrijk dat woningen weer snel vrij zijn om de doorstroom in de sociale huursector te kunnen bevorderen en de specifieke doelgroepen weer kunnen huisvesten. Particuliere verhuurders hebben deze plicht niet. Zij hebben ook een andere doelgroep en hebben meestal een commercieel motief. Dit maakt dat er een verschil zit tussen de particuliere verhuurder en de woningcorporatie. Hierdoor kunnen zij ook niet gelijk worden getrokken aan elkaar. De woningcorporaties dienen daardoor het belang van volkshuisvesting in een andere mate dan de particuliere verhuurder. Hierdoor is inzichtelijk geworden waarom in het geval van particuliere verhuur het belang van optreden tegen drugshandel zwaarder weegt dan bij verhuur door woningcorporaties. Dat hier beleidsmatig dan ook onderscheid in zit is niet onrechtmatig.