Sinds 2003 is de Wet Bibob van kracht. Bestuursorganen kregen de bevoegdheid om vergunningen en andere beschikkingen te weigeren of in te trekken als er sprake is van een ernstig gevaar van crimineel misbruik. Een opvallend kenmerk bij de uitvoering van de Wet Bibob is dat weigeringen en intrekkingen van vergunningen vaak gebaseerd zijn op strafbare feiten die zijn begaan door personen zonder formele functie in de desbetreffende onderneming. Dit komt doordat in de Wet Bibob het begrip ‘zakelijk samenwerkingsverband’ is geïntroduceerd.
Wet Bibob
Met het in werking treden van de Wet Bibob zijn de mogelijkheden van bestuursorganen om bepaalde vergunningen te weigeren of in te trekken aanzienlijk vergroot. Voor intrekking of weigering is vereist dat er een ernstig gevaar bestaat dat deze vergunningen misbruikt zullen worden voor het benutten van criminele gelden of het plegen van strafbare feiten. Afhankelijk van gemeentelijk Bibob-beleid gaat het doorgaans om vergunningen voor horeca, de prostitutiebranche, het gokwezen, maar bijvoorbeeld ook voor milieu-inrichtingen en bouwactiviteiten. Daarnaast kan de wet worden toegepast op subsidies, aanbestedingen en op vastgoedtransacties waarbij de overheid partij is.
Met de Wet Bibob werd ook een adviseur voor bestuursorganen in het leven geroepen: het Landelijk Bureau Bibob. Ondanks dat het bestuursorganen vrij staat om de Wet Bibob zelf toe te passen, liggen in de praktijk vaak adviezen van dit bureau aan een negatieve beschikking ten grondslag.
Zakelijk samenwerkingsverband
Bij de beoordeling van het gevaar van zakelijke samenwerkingsverbanden, kunnen ook de strafbare feiten betrokken worden die (vermoedelijk) zijn begaan door anderen dan de betrokkene zelf. Onder meer om schijnconstructies te ondervangen is daarbij het ‘zakelijk samenwerkingsverband’ geïntroduceerd in artikel 3 lid 4 onderdeel c Wet Bibob. Daar is aangegeven dat een betrokkene in relatie staat tot de strafbare feiten als ‘een ander deze strafbare feiten heeft gepleegd en deze persoon […] in een zakelijk samenwerkingsverband tot hem staat of heeft gestaan’.
Conclusie
Wat een zakelijk samenwerkingsverband nu precies is, daar is door de wetgever niet over uitgeweid. In de jurisprudentie is de afgelopen jaren uitgewerkt wat dit begrip inhoudt en welke criteria daarbij wel en niet van toepassing zijn.
Zo moet er sprake zijn van een duurzame of structurele zakelijke relatie die gericht is op samenwerking of waarbinnen samengewerkt wordt. Niet vereist is bijvoorbeeld dat er een stroman- of katvanger constructie is. Dat een zakelijk samenwerkingsverband doorgaans uit meerdere elementen bestaat, is in de jurisprudentie geaccepteerd en een veelvoorkomende praktijk. Ook verbroken samenwerkingsverbanden kunnen in de beoordeling betrokken worden en tot een weigering of intrekking leiden.